De economische redenering is begrijpelijk. Bedrijven hebben continuïteit nodig. Omzet moet terugkomen. Aandeelhouders verwachten rendement. Maar wat gebeurt er met vertrouwen als klanten het gevoel krijgen dat een product bewust korter meegaat dan nodig is?
Reputatie bouw je langzaam op, maar breekt sneller af. In een tijd van reviews, vergelijkingssites en sociale media is wantrouwen snel gezaaid. Zodra het woord ‘gepland’ voor ‘veroudering’ verschijnt, verschuift de discussie van techniek naar intentie. En intentie raakt aan integriteit.
Voor de kwaliteitsverantwoordelijke wordt het dan ongemakkelijk. Want wat is kwaliteit in zo’n context? Voldoen aan specificaties? Zeker. Doen wat beloofd is? Absoluut. Maar wat als de specificatie zelf uitgaat van een beperkte levensduur, terwijl technisch meer mogelijk is? Dan verschuift kwaliteit van controle naar geweten.
Je kunt geen kartel vormen om levensduur gezamenlijk te beperken. Dat is terecht verboden. Maar individuele bedrijven maken wél strategische keuzes. Ontwerp je voor maximale duurzaamheid? Of voor een voorspelbaar vervangingsmoment? Beide zijn legaal. Maar ze vertellen iets over je positie in de markt. De vraag is niet alleen wat juridisch mag. De vraag is wat je als organisatie wil zijn.
We zien steeds meer bedrijven die inzetten op repareerbaarheid, modulaire opbouw en langere garanties. Niet uit liefdadigheid, maar omdat vertrouwen een concurrentiefactor is geworden. Duurzaamheid wordt dan geen kostenpost, maar onderscheidend vermogen.
Voor kwaliteitsprofessionals ligt hier een duidelijke rol. Niet alleen bewaken of het product voldoet aan de norm, maar het gesprek voeren over levensduurbeleid, klantverwachting en langetermijnreputatie. Niet alleen meten wat uitvalt, maar ook bespreken wat dat betekent. Geplande veroudering is geen technisch detail. Het is een strategische keuze. De echte vraag is dus niet: werkt het product zoals gespecificeerd? Maar: wat betekent het voor onze organisatie wanneer het product ophoudt te werken?






