Ik werk inmiddels vijfentwintig jaar in de zorg. In die jaren heb ik gezien hoe dashboards, richtlijnen en audits een bijna religieuze status hebben gekregen. Bestuurders, toezichthouders – ikzelf incluis – vertrouwden soms meer op indicatoren dan op het oordeel van professionals. We hebben kwaliteitsmanagementsystemen gebouwd die functioneren als Zwitserse horloges: indrukwekkend nauwkeurig, maar alleen zolang de werkelijkheid precies past bij het ontwerp. En die werkelijkheid past zelden. Niet bij de patiënt met zes comorbiditeiten. Niet bij de oudere met taalbarrières, mantelzorgstress en een partner met beginnende dementie. Niet bij de verpleegkundige die in een te krappe bezetting een morele keuze moet maken: protocol volgen of nabij zijn. De praktijk loopt niet vast; ons horloge doet dat.
De kern van het probleem? Bewijs zonder context is geen bewijs. Een Gerandomiseerd Gecontroleerde Trial (RCT) zegt iets over gemiddelden in gecontroleerde omstandigheden. Maar zorg wordt geleverd in het ongecontroleerde, het rommelige, het menselijke. Een Lean-traject zegt iets over stabiliteit, terwijl de gemiddelde verpleegafdeling allesbehalve stabiel is. Toch worden professionals nog steeds beoordeeld op het volgen van een evidence-based standaard die vaak maar met moeite op de werkelijkheid past. Dat mechanisme beperkt zich niet tot ziekenhuizen. Ook in bedrijven wordt kwaliteit gelijkgesteld aan ISO-normen, best practices en KPI’s die vooral laten zien hoe goed we gisteren konden reproduceren. Een fabriek in Eindhoven is geen fabriek in Shenzhen, en een medewerker met rouw is geen ‘gemiddelde medewerker’. Toch verplicht het systeem ons om ze zo te behandelen.
De RVS pleitte destijds voor een omslag naar context-based practice. Niet minder wetenschap, maar meer soorten bewijs. Niet alleen data, maar ook verhaal. Niet alleen richtlijnen, maar ook professionele oordeelsvorming. Dat vraagt geen zachtheid maar vooral lef. En dat lef ontbreekt mijns inziens nog te vaak. Want wie afwijkt van het standaardrecept riskeert afkeuring van financiers, inspecties of auditors. Het gevolg: een kwaliteitsindustrie die vooral goed is in orde houden, maar minder in betekenisvolle vernieuwing.
Wat moeten we dan wel doen? Vier suggesties/stappen:
- Beloon ook interventies die nog niet ‘bewezen’ zijn. Creëer ruimte voor experimenten die passen bij de lokale context, ook zonder meta-analyse. Innovatie vraagt risico.
- Herstel professionele oordeelsvorming. We hebben vakmensen decennialang getraind om protocollen te volgen in plaats van situaties te begrijpen. Reflectie, casuïstiek en morele dialoog moeten terug in het hart van de opleiding.
- Ontwikkel indicatoren die context serieus nemen. Niet: ‘is het protocol gevolgd?’. Wel: ‘paste dit bij de unieke situatie van deze patiënt of klant?’. Dat vraagt narratieve audits en vertrouwen.
- Maak van context een kerncompetentie. Onderwijsinstituten moeten ‘Contextuele Professionaliteit’ net zo serieus nemen als klinische of bedrijfskundige vaardigheden.
Mijn stelling na vijfentwintig jaar zorg: organisaties die context serieus nemen winnen uiteindelijk altijd. Ze zijn wendbaarder, menselijker en beter in staat om talent te behouden in een tijd waarin professionals betekenis zoeken, geen vinklijstjes. De illusie van evidence-based practice is hardnekkig, maar niet onbreekbaar. Het vraagt slechts één moedige stap: het protocol durven neerleggen en werkelijk kijken naar de mens voor ons – patiënt, klant of collega. Zonder context geen bewijs. Zonder context geen kwaliteit. Zonder context geen menselijkheid. Laten we stoppen met de werkelijkheid reduceren tot wat we kunnen meten en weer gaan meten wat ertoe doet.


